Johan Toonstra – Gerard van der Lem:
Voetbal International
duo dat Roda van ver haalde
De afgelopen zomer investeerde Roda JC tamelijk ambitieus in de renovatie van de voorste lijn. Pinchhitter Stanley Bish en de langzamerhand op jaren geraakte Gerrie de Goede werden ingeruild voor Johan Toonstra en Gerard van der Lem. Twee spitsspelers met een zeer afwijkende achtergrond, die slechts gemeen hadden dat ze van “ver” gehaald werden. Daar was allereerst Johan Toonstra, de nuchtere blonde Fries, die de voorgaande competitie belangstelling van her en der had weten aan te zuigen als makkelijk scorende angel van eerstedivisieclub Heerenveen. Daartegenover Gerard van der Lem, in één seizoen doorgestoten naar de status van potentiële vedette bij FC Amsterdam, maar de competitie daarna enigszins in de schaduw geraakt van zijn gabbertjes Nico Jansen en Geert Meijer. Enerzijds Johan Toonstra, de verstandelijke noorderling, niet bereid afstand te doen van zijn positie bij de Rijksbelastingen en –aanvankelijk- zeer principieel contra Heerenveen inzake het geschil betreffende de clausule in zijn contract over een maximum transferbedrag van f 25.000. Anderzijds Gerard van der Lem, de exponent wat een Amsterdammer verstaat onder het begrip “lieverdje”. Kleine zelfstandige op de vleugel. Impulsief, brutaal. Vaak op het recalcitrante af en soms daar zelfs overheen. Maar wel eerlijk en wars van iedere vorm van kapsones.
Het verschil in karakter tussen Toonstra en Van der Lem laat zich al meteen treffend illustreren via de “transfergeschiedenis” van beide Roda-investeringen. Gerard van der Lem (23) reisde na een zomer vol geharrewar tussen het Antwerpse Beerschot, Inter Football en FC Amsterdams commerciële libero Dé Stoop, min of meer impulsief af richting Kerkrade, omdat hij het gevoel kreeg dat FC Amsterdam (lees Stoop) meer prijs stelde op een transferbedrag dan op zijn aanwezigheid op de rechterflank. Hij zegt: ‘Ik was met Cor Coster en Piet Keizer naar Antwerpen gegaan op de dag dat Beerschot vriendschappelijk tegen Feyenoord speelde en ik had daarna echt het gevoel dat alles zo goed als rond was. Die kleine trainer, Rik Coppens, heet-ie geloof ik, zei nog tegen me –Ge zijt zeker wel content hier te komen… En Coster stelde dat ik rustig op vakantie kon gaan. Er moest alleen nog een afrondend gesprek met Stoop komen waarbij geprobeerd zou worden het transferbedrag nog wat naar beneden te krijgen. Maar dat kón geen punt zijn verder. Toen ik terugkwam van vakantie hoorde ik via VI dat die zaak met Beerschot niet doorging, omdat ze die Spanjaard Lozano niet hadden kunnen verkopen en daardoor geen cente makke hadden. Ik ben toen maar gewoon weer bij FC Amsterdam gaan trainen. Ik heb toen nog met Theo Husers, die ook dwars lag met Stoop over zijn contractverlenging, zitten praten in de trant van: “laten we maar gewoon doorgaan. Gewoon keihard er tegen aan. Ondanks het vertrek van Geert Meijer hebben we nog kwaliteit zat in huis”. Zo zeer had ik me er in gedachten als mee verzoend dat ik nog een jaar bij FC Amsterdam zou blijven. Toen moest ik op een ochtend in ene in het kantoortje komen. Daar zat Stoop: “wat doen we nou met het contract van jou?” Ik zeg “dat is simpel zat, ik blijf gewoon nog een jaar.” Begint Stoop ineens te ditten en de datten. Zo van: “Als ik jou was en ik kreeg een goede gelegenheid om te vertrekken, dan ging ik toch maar.” Ik daar tegenin dat ik helemaal niet weg wilde; dat ik liever wilde blijven. Maar ik kreeg echt het gevoel dat Stoop me weg wilde. Hij wilde me lozen. Hoe dan ook. Daarom moet hij niet achteraf komen met zielige verhalen, zoals dat ik een salaris van f 60.000 te min gevonden zou hebben. Echt, als ik dát had kunnen krijgen, was ik toch van mijn levensdagen niet uit mijn eigen stad weggegaan om zo’n 2 ½ uur verder op te gaan zitten. Die man wilde persé geld zien en die verhaaltjes zijn alleen maar zoethouders voor zijn achterban. Nou, toen kwam Roda ineens op de proppen en toen heb ik tegen mezelf gezegd – Als ze je dan toch kwijt willen, dan probeer je het maar. Ik ga voor die twee jaar.”
Johan Toonstra handelde aanmerkelijk minder impulsief. Hij koos uit een uitgebreid scala van kandidaat-werkgevers (naast Roda o.a. Go Ahead, AZ’67, NEC, FC Groningen en Lokeren) zorgvuldig die eredivisieclub, die hem de meest passende offerte deed. Toonstra (24): “Ik kon in Heerlen mijn positie als adjunct-commies bij de belastingen behouden. Dat was voor mij een erg zwaar wegend punt. Ik vind het in deze maatschappij zeer belangrijk om iets achter de hand te hebben. Vooral nu er overal zo ontzettend veel ontslagen vallen. Dat zal bij de belastingen niet zo gauw gebeuren. Of de mensen dat nu leuk vinden of niet, belasting zal er altijd wel geheven worden.
In mijn tweede jaar bij Heerenveen heb ik een meniscusoperatie ondergaan en dat is toen een vrij langdurige affaire geworden. Daardoor heb ik de betrekkelijkheid van de voetballerij aan den lijve ondervonden. Gevoelsmatig heb ik dat brok sociale zekerheid gewoon nodig. Anders had ik nu echt wel in België gevoetbald. Bijvoorbeeld bij een Royale Union. Ik kon daar meer geld gaan verdienen dan nu bij Roda en de belastingen samen. Ik zit sinds de schoolbanken bij de belastingen en dan geef je zoiets echt niet zomaar op. Als je commies wordt zit daar trouwens ook in financieel opzicht best perspectief op. Bovendien valt het werk ideaal te combineren met profvoetbal. In fysiek opzicht is het zeker geen uitputtende baan. Bakje koffie op zijn tijd, gesprekje nu en dan. Daardoor kan ik ’s avonds redelijk fit aan de training beginnen.”
De aanpassing aan het nieuwe leef- en werkmilieu (over de opvang binnen de bestaande Roda-groep zijn beide vol lof) leverde Toonstra weinig of geen problemen op. Hij kon onmiddellijk na zijn aankomst in Kerkrade beginnen bij het belastingkantoor in Heerlen en kon ook meteen samen met zijn vrouw “een leuke woning met een leuke tuin” betrekken. De evenwichtige Fries schikte zich eveneens soepel in de krasse trainingsopzet van trainer Bert Jacobs. Een aanpak waar Gerard van der Lem, gewend aan de inschikkelijke “methodiek” van Pim van de Meent, het belangrijk moeilijker mee had. Het voormalige Lieverdje heeft er dan ook geen enkele moeite mee te bekennen dat hij, dat hij zich, in zijn allerprilste Rodaperiode, bij vlagen een diepongelukkig en vooral eenzaam mens heeft gevoeld. Ook al, omdat hij voor het eerst in zin carrière met langdurige blessures van doen kreeg.
Van der Lem: ‘bij Van de Meent dacht je wel eens: God, wat heb ik het zwaar. Maar wat ik hier bij Jacobs al beleefd heb, pfuhh… Wat dacht je van duurloop van 1½ uur op de Brunssumerheide bijvoorbeeld? Van de Meent begon ook wel eens een parcoursje met paaltjes en zo uit te zetten, maar dan had je de jongens eens moeten horen. Een Jan Fransz riep dan rustig: “Ach trainer, ik ben 37 jaar, zoiets ga je mij toch niet meer aandoen. Nou wil ik niet beweren dat Van de Meent die handel dan weer opborg, maar hij speelde toch meestal wel in op de stemming binnen de groep. Kon ook, omdat wat er dan wél gedaan werd, dan ook met volledige inzet werd uitgevoerd. Hier heb je maar wat te doen wat Jacobs voorschrijft. Daar heb ik het in het begin echt wel moeilijk mee gehad.
Vooral ook omdat ik hier toen in mijn dooie eentje in een pension zat. In Valkenburg. Iedere week nieuwe vakantiegangers als buren. Als je je dan twee keer per dag te barsten hebt getraind heb je iemand nodig om tegenaan te praten. Als je dan ook nog eens met blessures als bloed in je knie te maken krijgt - Ja dan krijg je het soms wel even moeilijk met jezelf. Ga je tegen jezelf dingen zeggen als: - Nou, ontzettende dit en dat, daar zit je dan in je uppie, omdat je zo nodig uit Amsterdam wegmoest. Ik lag iedere avond aan de telefoon. Margot bellen. Effe mijn vader en mijn moeder horen. Het meeste dat er op mijn pensionbriefje stond, waren telefoonkosten. Interesseerde me geen hol. Als je je ongelukkig voelt en je familie mist, besef je pas goed, dat geld eigenlijk geen zak voorstelt. Maar inmiddels zit ik met Margot knus met zijn tweeën in het oude huis van Jacobs en heb ik verder geen klachten meer. Alleen is nu mijn kat Roosje weggelopen. Nee, dat is geen geintje. Daar zit ik echt over in. Ik mis dat beest vreselijk.
Johan Toonstra hoort dit genre monologen van zijn ploegmakker zeer geamuseerd aan. Voor wat betreft het aandragen van de tekst loopt hij, hoewel zeker een behoorlijke prater, ongeveer één op drie t.o.v. de Amsterdamse rasbabbelaar. Uiteraard ook een gevolg van het feit dat hij aanmerkelijk minder problemen heeft gekend dan Van der Lem na zijn overgang naar Roda JC. Ook in speltechnisch opzicht. Toonstra: ‘Het enige waar ik een beetje vreemd tegen aangekeken heb, was de onderlinge hardheid op de training hier. Ik heb wel eens bij mezelf gedacht: wat gebeurt hier nu, wat is dat? En ja, dan speelde ik bij Heerenveen het laatste jaar in de spits, wat erg lekker ging, terwijl ik hier links op het middenveld kwam te staan met de duidelijke opdracht zo veel mogelijk diep te gaan. Dat kost erg veel kracht en daar heb ik het in het begin toch wel moeilijk mee gehad. Maar voor de rest is de eredivisie me erg meegevallen. Ook qua tempo, waar ik toch echt wel moeilijkheden van verwacht had voor mezelf. Alleen hebben die enkelblessures kort na het begin van de competitie met wel parten gespeeld. Nee, dat ik pas tweemaal gescoord heb, verontrust me niet zo. Het vorige seizoen knalde ik er alles in. Dat lukt me nu nog niet, maar wat niet is zal heus nog wel komen. Ik vind het belangrijker dat de kansen er nu ook al zijn voor mij.”
Gerard van der Lem, nog altijd niet zeker van een plaats in Jacobs’ basiself, heeft zich bij Roda JC nog niet of nauwelijks kunnen waarmaken. Vooral de overgang van het “vrijzinnige” concept van het FC Amsterdam van het vorige seizoen naar het belangrijk minder “rekkelijke” spelpatroon, dat Jacobs voorschrijft, heeft hem moeite gekost. Hij zegt: “Hier moet je in de eerste plaats in dienst van het elftal spelen. Bij Amsterdam kon en mocht je meer je gang gaan, meer vanuit je eigen creativiteit spelen. Van Jacobs moet je in de eerste plaats je lijn en je man houden. Daar hamert hij steeds weer op.Het publiek hier verlangt ook van je , dat je bikkelt. Ik liet mijn man eens zomaar langs me lopen. Had je ze tekeer moeten horen gaan! Daar staat dan wel weer tegenover, dat ze ook meteen voor je juichen en klappen als je die vent wél de bal probeert af te pakken. Dondert niet of het wat uithaalt en of het ergens op lijkt of niet. Dat stimuleert toch wel. Ik ben altijd een slechte kopper geweest. Als ik vroeger bij Amsterdam een bal kopte, riepen ze meteen van de tribune: “Hé, schele denk om je hoofd! Maar hier heb ik ’s avonds een houten nek van het springen en koppen op de training samen met Pierre Vermeulen”.
Een verklaring die suggereert dat Van der Lem, de opstandeling van weleer die ooit bij Ajax Bobby Haarms tot wanhoop bracht en die zelfs door Jan Zwartkruis werd opgegeven als militair international, onder het straffe Jacobs-regiem handelbaarder is geworden. “Ik ben van nature dwars. Altijd geweest tenminste. Vooral Haarms heb ik nooit naar waarde geschat. Ik haalde echt een profclub en een speeltuinvereniging door elkaar. En ik begrijp nu ook best, dat ik Haarms een rotgevoel heb bezorgd, door later op hem af te geven op de pers. Dat heeft hij zeker niet verdiend. Maar ik ga niet sentimenteel worden. Ik drink nog wel eens een pilsje bij Bobby. Dat Zwartkruis me heeft laten vallen, geloof ik niet. Die man kon mij echt in beroering brengen, heus. Ik geloof eerder dat Overste Heyloo me uit de militaire ploeg heeft laten wippen. Waarschijnlijk omdat ik in het VVDM orgaan had gezegd, dat ik mijn diensttijd als verloren tijd beschouwden en omdat ik mijn militaire das altijd losknoopte. Misschien speelde ook wel een rol, dat ik die man wel eens met Fernandel vergeleken heb. Maar met dat hele gedoe met dat militaire elftal heb ik toch echt nooit pijn in de buik van gekregen hoor. Ben je mal. Ik ben en blijf Amsterdammer en neem voor niemand een blad voor mijn mond. Wat niet wegneemt, dat mijn instelling als voetballer inderdaad is veranderd. Ik besef nu, dat je als full-prof moet voldoen aan de eisen van die speciale werkgever waar je zit en aan de eisen die de klanten van de werkgever, het publiek, stellen. En als het Rodapubliek bikkelen wil zien, dan bikkelt de Gerard van der Lem van nu naar beste vermogen mee.”
Slotvraag aan Toonstra en Van der Lem: zien zij een eventuele toekomst als Limburger? Toonstra: “het bevalt mijn vrouw en mij hier tot nog toe zo goed, dat ik dat zeker niet uitgesloten acht.” En Van der Lem: “Met alle respect voor de mensen en de mooie omgeving hier, zie ik dat toch niet zitten. Eens een Amsterdammer blijft een Amsterdammer. Het kan desnoods tien jaar duren, maar ik gá nog terug. Er is niets mooier dan een harinkje pakken op de Albert Cuyp en naar de mensen kijken.”
Uit: Voetbal International nummer 2 – 5 januari 1976. |